bakken : bakken
bakker : bekker
baksteen : brik, krè(i)l
baksteen (te lang in t vuur gelegen , bijna zwart en vervormd - werd gebruikt in fundering). : kamaai
bal : bal
balletje : belleke
bankje; (klein, laag éénpersoonszitbankje) : chabelleke
bankroet : fellit
barst : bos
bedelaar : beddelar
bedevaart : bievet
beentje : bé(i)nke
beet (van een hond ) : biet
beet (veldgewas) : kroot
Beetje lager (een) : e bitche légger
behalve : behaave
behangpapier : tappeet, tepeet
beitel : bietel
beker : bieker
bekleden : beklè(i)je
bekwaamheid : bekwoamechets
beloken Pasen (eerste zondag na Pasen) : bloeke Pòsse
beloven : beloeve
bemoeien : onnerwénne
benauwd : benaat
benieuwd : kerjeus
beplaasteren : plekke
berg : barreg
berg : barreg
bericht ontvangen (ik heb) : ich hù(i)p teng krege
beroemd : berump
beschaamd : bechù(i)mp
beschuit : mechuut