Wat schaft de pot

 
De voeding op het Vlaamse platteland is omstreeks 1900 eenvoudig en relatief monotoon: aardappelen,  vet, boter en karnemelk. Verder worden ook nog vlees en groenten gegeten, maar zeker niet in overvloed. Eigen productie en zelfvoorziening primeren. Nieuwe producten, technieken en inzichten over een gezonde voeding dringen slechts langzaam door. De voedingsgewoonten zijn er weinig onderhevig aan verandering. Opvallend ook is dat plattelandsvrouwen en boerinnen weinig kennis hebben van koken en aan het bereiden van eten weinig tijd besteden. Wat men weet wordt mondeling doorgegeven van moeder op dochter. Kookboeken zijn er nauwelijks: ze zijn lange tijd te duur en lang niet iedereen kan lezen. Zelfs eenvoudige bereidingen lukken niet altijd. Op de tafel kwam er één diep bord, en uit datzelfde bord werd eerst de soep en dan de aardappelen gegeten. Via het ledenblad, het maandblad “De Boerin” en “Ons Kookboekje” werden recepten verspreid en werd de kookcultuur opgekrikt. Vanaf dan werden er drie gangen gepromoot, namelijk soep, hoofdgerecht en dessert.
 
 
De Boerinnenbond (opgericht in 1911) meldt in één van de eerste nummers van haar ledenblad: “Menige huisvrouw weet niet al te best hoe aardappelen moeten gekookt worden, zoodat deze waterachtig en smakeloos op tafel komen. En daar arm en rijk ze dagelijks gebruikt, achten we het nuttig voorop de gewone bereiding van aardappelen te geven”.
 
( Uit “ Kattentongen, ezelsoren en varkenspoten CAG Eddy Niesten, Jan Raymaekers, Yves Segers)
 
 
 
Waar kookten onze overgrootouders op en mee?
Tot 1900, gebeurde het verwarmen van het woonvertrek en het koken op dezelfde warmtebron, dat was een haard waarboven een kookpot hing. Het spreekt voor zich dat ze met één pot geen uitgebreide menu konden koken, en dat het meestal pap was die uit de ketel kwam.
Rond 1900 en tot ver in de twintigste eeuw werd er van de plattebuiskachel, hier beter bekend als de “Leuvense stoof”gebruikt gemaakt om zich te verwarmen en om eten te koken. Koken op een Leuvense stoof bood veel meer mogelijkheden. Je had vooraan de “ pot” waarin het vuur werd gemaakt, met daarop het deksel en de ringen. Daarachter kwam de “buis”, een langwerpig gedeelte die de rook naar de schoorsteen leidde, op deze buis zat er ook een kookplaat.
Boven de “pot” kon je op twee manieren koken: ofwel op het deksel dat als kookplaat fungeerde, ofwel op het open vuur voor hogere temperaturen. Van het deksel kon je één of meer ringen wegnemen afhankelijk van de grootte van de pan.
De “buis” kon je gebruiken om vlees langzaam te stoven, het midden van de plaat werd heter dan de zijkanten. Garen, warm houden en sudderen gebeurde in de oven. Deze oven werd ook gebruikt als couveuse, te vroeg geboren kinderen en onderkoelde biggen werden erin warm gehouden.
De Leuvense stoof zorgde ervoor dat je meer dan één pot of pan tegelijk kon hanteren waardoor er per maaltijd meer gangen op tafel kwamen.